De eerste jaargang van de Community of Practice Ecosystemen in Digital Transformation (EiDT) zit erop. De groep kwam op 14 januari 2026 voor de laatste keer dit jaar bij elkaar en ging opnieuw aan de slag met een casestudy. Tijdens deze sessie verdiepten we ons in digital twins, of digitale tweelingen.
De groep verzamelde zich deze keer bij het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO). Binnen dit ministerie wordt flink gewerkt aan datadeling. Toen het ministerie opgericht werd, ontstond ook het idee dat er een landelijke registratie moest komen, zodat burgers niet voor iedere overheidsorganisatie hun gegevens opnieuw hoeven in te voeren. Dat werd de basisregistratie, met afspraken, wetten en verschillende bronhouders zoals gemeenten en ProRail. Dit alles bij elkaar noemen zij een infrastructuur, maar je kunt het ook een afsprakenstelsel noemen, of een ecosysteem.
Digital twins
Maar partijen werken nog veel in hokjes, die ieder hun eigen data verzamelen voor projecten. Bouwbedrijven, architecten en spoorontwikkelaars: ze meten allemaal zelf gebieden in, doen hun eigen onderzoek naar de grond waarop ze willen bouwen en verzamelen al die data in hun eigen systemen. Systemen waar een ander, die precies dezelfde data nodig heeft, dus niet bij kan.
EiDT 2 gaat van start
EiDT is een vierjarig programma. De tweede jaargang gaat in 2026 van start. En er is ruimte voor meer deelnemers!
Nieuwsgierig of EiDT ook iets voor jouw organisatie is? Kom dan naar onze introductiebijeenkomst op 11 februari. Aanmelden kan hier.
Een digital twin kan helpen deze partijen bij elkaar te brengen. Een digital twin is in feite een digitale versie van de fysieke omgeving, in dit geval gemaakt op basis van data uit de basisregistratie. Zie het als een soort virtuele maquette van een omgeving, met daarin ook direct alle informatie over bijvoorbeeld de ondergrond waarop gebouwd wordt en het natuurlijke ecosysteem in dat gebied. Je kunt verschillende situaties simuleren om te zien wat dat met de plannen doet. Denk aan overstromingen, extreme hitte of de toevoeging of verwijdering van groen.
Ook dit project, Zicht op Nederland, kan als ecosysteem gezien worden. Verschillende partijen leveren data aan en verschillende partijen gebruiken die data voor digital twins van hun projecten. De bedoeling is uiteindelijk dat er een soort marktplaats ontstaat: applicaties praten met het dataplatform van VRO, waar ze informatie vandaan halen en het ook weer aan terugleveren.
Uit de silo, in de App Store

Maar hoe kun je dit soort toepassingen zo verpakken dat je ze zo kunt aanbieden? Daar is een architectuur voor bedacht die uit een soort LEGO-blokken bestaat. Partijen kunnen zelf kijken welke data ze nodig hebben en welke elementen ze in hun digital twin willen hebben. Daar pakken ze de juiste LEGO-blokjes voor uit de App Store, waarmee ze vervolgens hun eigen digital twin bouwen.
De gedachte is dat leveranciers op dezelfde manier gaan werken, aan de hand van standaarden. Op die manier ontstaat een ecosysteem van partijen die eerder hun eigen silo’s bij gemeenten neerzetten, maar nu onderling dezelfde data kunnen gebruiken.
Aan de slag met een case
De Community of Practice ging gedurende de dag met een casestudy aan de slag. Deze draait om de digital twins van VRO, of concreter: om de ‘App Stores’ die zij willen ontwikkelen.
Het programma Digital Twin as a Service bepaalt standaarden en kwaliteitseisen voor componenten van digitale tweelingen, zodat je elementen in iedere digitale tweeling kunt gebruiken. Zie het als ingrediënten voor recepten: iedereen kan ingrediënten uitzoeken om zo zijn eigen recept te maken.
Het programma wil graag mogelijkheden creëren voor de uitwisseling, hergebruik en schaalbaarheid van digital twin-componenten. Daarvoor denken zij aan een App Store-concept. Waarom nu? Urgente uitdagingen in de fysieke leefomgeving vereisen snellere, op bewijs gebaseerde beslissingen. Fragmentatie en pilotmoeheid remmen opschaling. En gemeenschappelijke informatiebehoeften bieden kans op standaardisatie.
Voor de casestudy zijn vier concrete vragen opgesteld. De groep ging daar in subgroepen mee aan de slag:
- Verantwoordelijkheid voor toelating en afwijzing – Wie bepaalt welke toepassingen worden toegelaten, gewijzigd of verwijderd? Een onafhankelijke publieke instantie, een private partij of een hybride model?
- Wie investeert en wie profiteert? – Een open ecosysteem vereist continue investeringen in onderhoud, curatie en innovatie. Hoe verdelen we de kosten en baten?
- Incentives versus publieke waarden – Hoe ontwerpen we incentives die innovatie en kwaliteit stimuleren, zonder vendor lock-in of uitsluiting van kleine spelers?
- Oplossingsrichtingen voor de orchestratierol – Welke rol moet de overheid oppakken om het ecosysteem aan de gang te krijgen?
Terugkoppeling vanuit de groepen

Een andere groep werkte met een marktplaatsmodel, waarbij verschillende aanbieders en kanalen samenkomen. Voor de financiering zie je verschillende mogelijkheden: fees voor aanbieders, aansluitkosten voor kanalen, overheidsfinanciering voor de basis, of betalen naar gebruik.
Ook werden verschillende systemen vergeleken: een gesloten systeem zoals Apple met hoge kwaliteit maar ook hoge kosten, een open markt zoals Android met meer keuzevrijheid maar variabele kwaliteit, en een managed tussenvorm waarbij het Rijk uitnodigt tot cocreatie. Bij die laatste variant krijgen consortia landelijke zichtbaarheid als ze goed presteren.
Tot slot kwam naar voren dat het belangrijk is om de belangen van leveranciers te alignen met de belangen van de overheid. De overheid kan het ecosysteem op gang helpen, maar uiteindelijk moet het ecosysteem uit zichzelf gaan werken. In het begin moet je meer duwen als orchestrator, maar je rol verandert naarmate het ecosysteem zich ontwikkelt.
